Over de gemeente van Christus

‘waarop Ik mijn gemeente zal bouwen’ (Mattheüs 16:18)

De gemeente van Christus werd gegrondvest op de eerste dag van Pinksteren na de opstanding van Jezus Christus, zoals beschreven in Handelingen hoofdstuk 2.

Lidmaatschap

Gebaseerd op hoe nieuwtestamentische gemeenten dit toepasten, wordt iemand door de Heer zelf aan zijn gemeente toegevoegd (1 Korinthiërs 12, vers 18; Handelingen van Apostelen 2, vers 47). De nieuwtestamentische christenen hoorden het evangelie (Handelingen van Apostelen 8, vers 5 en 6); geloofden in Jezus als Gods Zoon (Handelingen van Apostelen 16, vers 31); bekeerden zich van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38); beleden dat Jezus de Christus is (Romeinen 10, vers 9 en 10); en lieten zich dopen voor de vergeving van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38; en 22, vers 16). Gebaseerd op Gods Woord, de Bijbel, lieten deze gelovigen zich dopen door volledige onderdompeling (Romeinen 6, verzen 3 tot en met 7).

Aanbidden

Het doel van de kerk is om God te aanbidden. Volgens het Nieuwe Testament komen de eerste christenen op de eerste dag van de week samen om brood te breken – het avondmaal te vieren – (Handelingen van apostelen 20, vers 7; 1 Korinthiërs 11, vers 23 tot en met 30). Ze bidden samen in de naam van de Heer voor alle mensen, koningen en alle hoogwaardigheidsbekleders, opdat zij een rustig en vredig leven kunnen leiden (1 Timotheüs 2, verzen 1 tot en met 6). Zij zingen psalmen en hymnen (Efeziërs 5, vers 19; Kolossenzen 3, vers 16). Zij verkondigen of prediken het evangelie van de herrezen Heer (1 Korinthiërs 15, verzen 1 tot en met 8). Tijdens de eredienst op de eerste dag van de week heeft elk lid de gelegenheid om te geven aan het werk van de Heer naar zijn vermogen (1 Korinthiërs 1, verzen 1 en 2; 2 Korinthiërs 9, vers 5, 6). Verder zetten de gemeenten van Christus zich in voor liefdadigheid (Matteüs 25, verzen 31 tot 46; Galaten 6, vers 9 en 10; Jacobus I, vers 27); en de verkondiging van het evangelie aan alle mensen – zendingswerk – (Mattheüs 28, vers 18, 19 en 20; Mark 16, Handelingen van Apostelen 10, verzen 34 en 35).

Organisatie

Organisatorisch vormt elke gemeente een autonome eenheid. Zij kent ouderlingen en diakenen volgens Handelingen van Apostelen 20, verzen 17 tot en met 35, 1 Timotheüs 3, verzen 1 tot en met 13; Titus 1, verzen 5 tot en met 9; 1 Petrus 5, verzen 1 tot en met 14. Noch bij de ouderlingen noch bij de diakenen wordt enig onderscheid gemaakt; niemand wordt als hoofd beschouwd maar allen werken samen als broeders om de activiteiten van de kerk uit te voeren in overeenstemming met de geïnspireerde voorbeelden of aanwijzingen in de Bijbel. De ouderlingen hebben het toezicht op de gemeente, I Petrus 5, verzen 1 tot en met 3. Er is altijd een veelvoud van ouderlingen en diakenen in een gemeente. Het aantal wordt door elke congregatie afzonderlijk vastgesteld, afhankelijk van het aantal broeders dat gekwalificeerd is volgens de Bijbel en het aantal leden in de plaatselijke kerk. De gemeente kent naast de leden ook predikers of evangelisten en leraren. Wanneer er geen broeders zijn die voldoen aan de kwalificaties voor ouderlingen zoals gespecificeerd in de bovenstaande teksten, wordt de plaatselijke kerk tijdelijk geleid door capabele broeders en evangelisten.

De Bijbel 

Leden van de gemeenten van Christus zien en gebruiken de Bijbel, Gods Woord, als een compleet en volmaakt boek (Openbaring 22, verzen 18 en 19; en 11 Timotheüs 3, verzen 16 en 17). Ze zien boeken of artikelen die door mensen zijn geschreven niet als gezaghebbend, deze veroorzaken vaak onenigheid onder de gelovigen. De Bijbel bevat Gods heilsplan voor mensen; wat ze moeten doen om God te aanbidden; en hoe ze goed werk kunnen doen (2 Timotheüs 3, de verzen 15, 16 en 17).