Over de gemeente van Christus

God houdt van ons. Hij kwam naar de aarde in de persoon van Jezus zodat we Hem kunnen leren kennen. ‘Het Woord werd een mens en Hij heeft bij ons gewoond. We hebben gezien hoe geweldig en machtig Hij is: Hij, Gods enige Zoon, met dezelfde macht als de Vader, liefdevol, vriendelijk, en vol van waarheid‘ (Johannes 1:14).

Jezus leerde mensen wat Gods wil voor hen is. Toch begreep niet iedereen wie Jezus is. Vooral niet toen Hij zei dat Hij moest sterven om eeuwig leven te brengen en dat Hij daarna zou opstaan uit de dood. ‘Dit is het goede nieuws: Jezus Christus is voor ons gestorven, en daardoor worden onze zonden vergeven. Na zijn dood is hij begraven, maar drie dagen later is hij opgestaan uit de dood’ (1 Korintiërs 15:3,4).

Jezus bouwde zijn kerk op het geloof in dit goede nieuws. ‘En op deze rots zal Ik mijn gemeente bouwen’ (Matteüs 16:18). Het is het fundament van de gemeente van Christus, die werd opgericht op de eerste Pinksterdag na de opstanding van Jezus Christus, zoals beschreven in Handelingen van Apostelen, hoofdstuk twee.

Lidmaatschap

Gebaseerd op hoe nieuwtestamentische gemeenten dit toepasten, wordt iemand door de Heer zelf aan zijn gemeente toegevoegd (1 Korinthiërs 12, vers 18; Handelingen van Apostelen 2, vers 47). De nieuwtestamentische christenen hoorden het evangelie (Handelingen van Apostelen 8, vers 5 en 6); geloofden in Jezus als Gods Zoon (Handelingen van Apostelen 16, vers 31); bekeerden zich van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38); beleden dat Jezus de Christus is (Romeinen 10, vers 9 en 10); en lieten zich dopen voor de vergeving van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38; en 22, vers 16). Gebaseerd op Gods Woord, de Bijbel, lieten deze gelovigen zich dopen door volledige onderdompeling (Romeinen 6, verzen 3 tot en met 7).

Aanbidden

Het doel van de kerk is om God te aanbidden. Volgens het Nieuwe Testament komen de eerste christenen op de eerste dag van de week samen om brood te breken – het avondmaal te vieren – (Handelingen van apostelen 20, vers 7; 1 Korinthiërs 11, vers 23 tot en met 30). Ze bidden samen in de naam van de Heer voor alle mensen, koningen en alle hoogwaardigheidsbekleders, opdat zij een rustig en vredig leven kunnen leiden (1 Timotheüs 2, verzen 1 tot en met 6). Zij zingen psalmen en hymnen (Efeziërs 5, vers 19; Kolossenzen 3, vers 16). Zij verkondigen of prediken het evangelie van de herrezen Heer (1 Korinthiërs 15, verzen 1 tot en met 8). Tijdens de eredienst op de eerste dag van de week heeft elk lid de gelegenheid om te geven aan het werk van de Heer naar zijn vermogen (1 Korinthiërs 1, verzen 1 en 2; 2 Korinthiërs 9, vers 5, 6). Verder zetten de gemeenten van Christus zich in voor liefdadigheid (Matteüs 25, verzen 31 tot 46; Galaten 6, vers 9 en 10; Jacobus I, vers 27); en de verkondiging van het evangelie aan alle mensen – zendingswerk – (Mattheüs 28, vers 18, 19 en 20; Mark 16, Handelingen van Apostelen 10, verzen 34 en 35).

Organisatie

Organisatorisch vormt elke gemeente een autonome eenheid. Zij kent ouderlingen en diakenen volgens Handelingen van Apostelen 20, verzen 17 tot en met 35, 1 Timotheüs 3, verzen 1 tot en met 13; Titus 1, verzen 5 tot en met 9; 1 Petrus 5, verzen 1 tot en met 14. Noch bij de ouderlingen noch bij de diakenen wordt enig onderscheid gemaakt; niemand wordt als hoofd beschouwd maar allen werken samen als broeders om de activiteiten van de kerk uit te voeren in overeenstemming met de geïnspireerde voorbeelden of aanwijzingen in de Bijbel. De ouderlingen hebben het toezicht op de gemeente, I Petrus 5, verzen 1 tot en met 3. Er is altijd een veelvoud van ouderlingen en diakenen in een gemeente. Het aantal wordt door elke congregatie afzonderlijk vastgesteld, afhankelijk van het aantal broeders dat gekwalificeerd is volgens de Bijbel en het aantal leden in de plaatselijke kerk. De gemeente kent naast de leden ook predikers of evangelisten en leraren. Wanneer er geen broeders zijn die voldoen aan de kwalificaties voor ouderlingen zoals gespecificeerd in de bovenstaande teksten, wordt de plaatselijke kerk tijdelijk geleid door capabele broeders en evangelisten.

De gemeenten van Christus

(Bron: ‘Wegwijs in religieus en levensbeschouwelijk Nederland’, E. Hoekstra en M. Ipenburg, Kok, Kampen 1995)

In het begin van de 19e eeuw worstelde in Engeland, Schotland en de Verenigde Staten van Amerika een vijftal bewegingen met de verdeeldheid binnen het christendom. Zij kwamen vanuit hun verlangen tot eenheid tot de volgende vier oplossingen:

  • Elke plaatselijke gemeente dient volkomen onafhankelijk te zijn van elke vorm van kerkelijke hiërarchie, aangezien hierdoor de christenen eerder verdeeld dan verenigd worden.
  • Kerkelijke geloofsbelijdenissen dienen terzijde geschoven te worden.
  • Er moet geen onderscheid bestaan tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’.
  • Alle sektarische namen om gelovigen van elkaar te scheiden dienen te worden vermeden.

Met deze uitgangspunten beoogde de zogenaamde Restauratie-beweging niet een nieuw soort kerk maar een herstel van de nieuwtestamentische gemeente. Dit resulteerde in het ontstaan van duizenden gemeenten die zich aanduiden als gemeente van Christus. Kort na de Tweede Wereldoorlog keerde J. van der Vis vanuit de VS naar Nederland terug om dit model van de gemeenten van Christus te verkondigen. Vanuit zijn prediking ontstonden gemeenten in Den Haag, Eindhoven, Groningen, Haarlem, Maastricht en Schiedam. Iedere plaatselijke gemeente is zelfstandig.

De gemeenten van Christus kennen geen vast ritueel in de zin van liturgie. Een samenkomst kent wel: het nuttigen van de Maaltijd des Heren, het gezamenlijk zingen van psalmen, gezangen en geestelijke liederen, het gebed, het verkondigen van Gods Woord en het vestigen van de aandacht op offervaardigheid. Wereldwijd bedraagt het aantal gelovigen enkele miljoenen. Voor Nederland is het aantal ca. 150 (1994)*.