‘De gemeenten van Christus groeten u’ (Rom 16:16).

De aanduiding gemeente van Christus is een tijdloze aanduiding. Dat gelovigen in de 21ste eeuw zich als lid zien van een gemeente van Christus (zonder een aanvullende naam voor hun kerk of denominatie) en alleen deze aanduiding hanteren voor hun gemeente, komt voort uit de zogenaamde Restoration Movement: gelijkgestemde christenen die zich vanaf de 17e eeuw in het huidige Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, onafhankelijk verklaarden van hun verschillende denominaties en traditionele geloofsbelijdenissen en een nieuwe start maakten om terug te keren naar de oorspronkelijke nieuwtestamentische gemeente. Ze zagen zichzelf niet als een nieuwe kerk, maar zochten eerder naar de vereniging van alle christenen in een enkel lichaam naar het patroon van de oorspronkelijke gemeente van het Nieuwe Testament.

Deelnemers aan deze beweging probeerden hun leer alleen op de Bijbel te baseren, in plaats van de traditionele kerkraden en hiërarchieën te erkennen die het christendom definieerden sinds de eerste eeuw na Christus. Leden van de gemeenten van Christus geloven dat Jezus Gods zoon is, redding aan alle mensen biedt, en slechts één kerk stichtte; dat de huidige verdeeldheid onder christenen niet Gods wil uitdrukt; en dat de enige basis voor het herstellen van de christelijke eenheid de Bijbel is. Ze identificeren zichzelf slechts als ‘christenen’, zonder enige andere vorm van religieuze of confessionele identificatie te gebruiken. 

Gemeenten van Christus hebben doelbewust geen centraal hoofdkwartier, raden of andere organisatiestructuur boven het plaatselijke kerkniveau. In plaats daarvan kennen de onafhankelijke gemeenten een netwerk waarbij elke gemeente naar eigen inzicht deelneemt aan verschillende manieren van dienstbetoon en gemeenschap met andere gemeenten. Gemeenten van Christus benadrukken dat er geen onderscheid is tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’ en zien het priesterschap voor alle gelovigen, waarbij elk lid een gave heeft bij het volbrengen van het werk van de kerk. 


De gemeenten van Christus

In het begin van de 19e eeuw worstelde in Engeland, Schotland en de Verenigde Staten van Amerika een vijftal bewegingen met de verdeeldheid binnen het christendom. Zij kwamen vanuit hun verlangen tot eenheid tot de volgende vier oplossingen:

  • Elke plaatselijke gemeente dient volkomen onafhankelijk te zijn van elke vorm van kerkelijke hiërarchie, aangezien hierdoor de christenen eerder verdeeld dan verenigd worden.
  • Kerkelijke geloofsbelijdenissen dienen terzijde geschoven te worden.
  • Er moet geen onderscheid bestaan tussen ‘geestelijken’ en ‘leken’.
  • Alle sektarische namen om gelovigen van elkaar te scheiden dienen te worden vermeden.

Met deze uitgangspunten beoogde de zogenaamde Restauratie-beweging niet een nieuw soort kerk maar een herstel van de nieuwtestamentische gemeente. Dit resulteerde in het ontstaan van duizenden gemeenten die zich aanduiden als gemeente van Christus. Kort na de Tweede Wereldoorlog keerde J. van der Vis vanuit de VS naar Nederland terug om dit model van de gemeenten van Christus te verkondigen. Vanuit zijn prediking ontstonden gemeenten in Den Haag, Eindhoven, Groningen, Haarlem, Maastricht en Schiedam. Iedere plaatselijke gemeente is zelfstandig.

De gemeenten van Christus kennen geen vast ritueel in de zin van liturgie. Een samenkomst kent wel: het nuttigen van de Maaltijd des Heren, het gezamenlijk zingen van psalmen, gezangen en geestelijke liederen, het gebed, het verkondigen van Gods Woord en het vestigen van de aandacht op offervaardigheid. Wereldwijd bedraagt het aantal gelovigen enkele miljoenen. Voor Nederland is het aantal ca. 150 (1994)*.

(Bron: ‘Wegwijs in religieus en levensbeschouwelijk Nederland’, E. Hoekstra en M. Ipenburg, Kok, Kampen 1995)


‘waarop Ik mijn gemeente zal bouwen’ (Mattheüs 16:18)

De gemeente van Christus werd gegrondvest op de eerste dag van Pinksteren na de opstanding van Jezus Christus, zoals beschreven in Handelingen hoofdstuk 2.

Lidmaatschap

Gebaseerd op hoe nieuwtestamentische gemeenten dit toepasten, wordt iemand door de Heer zelf aan zijn gemeente toegevoegd (1 Korinthiërs 12, vers 18; Handelingen van Apostelen 2, vers 47). De nieuwtestamentische christenen hoorden het evangelie (Handelingen van Apostelen 8, vers 5 en 6); geloofden in Jezus als Gods Zoon (Handelingen van Apostelen 16, vers 31); bekeerden zich van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38); beleden dat Jezus de Christus is (Romeinen 10, vers 9 en 10); en lieten zich dopen voor de vergeving van hun zonden (Handelingen van Apostelen 2, vers 38; en 22, vers 16). Gebaseerd op Gods Woord, de Bijbel, lieten deze gelovigen zich dopen door volledige onderdompeling (Romeinen 6, verzen 3 tot en met 7).

Aanbidden

Het doel van de kerk is om God te aanbidden. Volgens het Nieuwe Testament komen de eerste christenen op de eerste dag van de week samen om brood te breken – het avondmaal te vieren – (Handelingen van apostelen 20, vers 7; 1 Korinthiërs 11, vers 23 tot en met 30). Ze bidden samen in de naam van de Heer voor alle mensen, koningen en alle hoogwaardigheidsbekleders, opdat zij een rustig en vredig leven kunnen leiden (1 Timotheüs 2, verzen 1 tot en met 6). Zij zingen psalmen en hymnen (Efeziërs 5, vers 19; Kolossenzen 3, vers 16). Zij verkondigen of prediken het evangelie van de herrezen Heer (1 Korinthiërs 15, verzen 1 tot en met 8). Tijdens de eredienst op de eerste dag van de week heeft elk lid de gelegenheid om te geven aan het werk van de Heer naar zijn vermogen (1 Korinthiërs 1, verzen 1 en 2; 2 Korinthiërs 9, vers 5, 6). Verder zetten de gemeenten van Christus zich in voor liefdadigheid (Matteüs 25, verzen 31 tot 46; Galaten 6, vers 9 en 10; Jacobus I, vers 27); en de verkondiging van het evangelie aan alle mensen – zendingswerk – (Mattheüs 28, vers 18, 19 en 20; Mark 16, Handelingen van Apostelen 10, verzen 34 en 35).

Organisatie

Organisatorisch vormt elke gemeente een autonome eenheid. Zij kent ouderlingen en diakenen volgens Handelingen van Apostelen 20, verzen 17 tot en met 35, 1 Timotheüs 3, verzen 1 tot en met 13; Titus 1, verzen 5 tot en met 9; 1 Petrus 5, verzen 1 tot en met 14. Noch bij de ouderlingen noch bij de diakenen wordt enig onderscheid gemaakt; niemand wordt als hoofd beschouwd maar allen werken samen als broeders om de activiteiten van de kerk uit te voeren in overeenstemming met de geïnspireerde voorbeelden of aanwijzingen in de Bijbel. De ouderlingen hebben het toezicht op de gemeente, I Petrus 5, verzen 1 tot en met 3. Er is altijd een veelvoud van ouderlingen en diakenen in een gemeente. Het aantal wordt door elke congregatie afzonderlijk vastgesteld, afhankelijk van het aantal broeders dat gekwalificeerd is volgens de Bijbel en het aantal leden in de plaatselijke kerk. De gemeente kent naast de leden ook predikers of evangelisten en leraren. Wanneer er geen broeders zijn die voldoen aan de kwalificaties voor ouderlingen zoals gespecificeerd in de bovenstaande teksten, wordt de plaatselijke kerk tijdelijk geleid door capabele broeders en evangelisten.

De Bijbel 

Leden van de gemeenten van Christus zien en gebruiken de Bijbel, Gods Woord, als een compleet en volmaakt boek (Openbaring 22, verzen 18 en 19; en 11 Timotheüs 3, verzen 16 en 17). Ze zien aanvullende boeken of artikelen die door mensen zijn geschreven niet als gezaghebbend, deze veroorzaken vaak onenigheid onder de gelovigen. De Bijbel bevat Gods heilsplan voor mensen; wat ze moeten doen om God te aanbidden; en hoe ze goed werk kunnen doen (2 Timotheüs 3, de verzen 15, 16 en 17).


Vragen? Stuur een bericht naar gvcnederland@gmail.com of gebruik onderstaand formulier.

(ingevulde velden zijn niet voor derden zichtbaar)